Allotropie (uit het Grieks: allos, ander, en tropos, manier), is de naam die Jöns Jacob Berzelius gaf aan het verschijnsel dat een chemisch element in verschillende vaste verschijningsvormen of allotropen kan voorkomen met een verschillende kristalstructuur. Merk op dat allotropie alleen gaat over verschillende vormen van elementen in dezelfde aggregatietoestand, verschillen in elementen tussen zijn vaste, gas en vloeibare fase worden dus niet tot allotropie gerekend.
Voorbeelden van elementen die allotropie vertonen zijn:
Zoals in het geval van koolstof kan worden gezien, kunnen materiaaleigenschappen grote verschillen vertonen tussen de verschillende allotropen. Dit wordt hier veroorzaakt door de dramatische verschillen in de opbouw van de stof uit atomen: diamant is opgebouwd uit een kubisch rooster van tetraëdrisch omringd koolstof. In grafiet is de structuur opgebouwd uit veel losser gebonden lagen van zeshoeken.
|